Groei
Terug naar overzicht

Met dit verhaal, vertelt Karen Verbist over de zin van haar sociaal werk. Ze werd genomineerd in de schrijfwedstrijd van Zinrijk Verhaal, een samenwerking tussen Creatief Schrijven en Werk met Zin.

 

Veerkracht

Ze is erg klein en tenger voor haar leeftijd als ze binnenkomt bij ons. Een mini-mensje op zoek naar een thuis. Pleegouders en -broers die het niet meer redden. Zij willen zo graag dichtbij, maar dat kan ze niet. Dichtbij is gevaarlijk. Dichtbij is niet te vertrouwen. Dichtbij moet kapot.

Dus komt ze bij ons wonen, in een kleinschalige voorziening midden in de natuur. Met onderwijs op het terrein, zachte kleuren op de muur van haar kamertje, ruimte om te spelen en opvoeders met vroege en late diensten. Opvoeders die haar liefdevol omringen, maar niets van haar hart verwachten. Dat is veilig. Zo kan ze opgroeien.

 

Ik ben bij haar opname aanwezig en zie haar donkere ogen. Ze spuwen vuur. Goed, denk ik.

De contacten met pleegouders, moeder, halfzussen en de jeugdrechtbank neem ik voor mijn rekening.

Het is zoeken en trekken naar verbinding met haar mama. Die komt maandelijks op bezoek, maar er zijn evengoed periodes dat ze niet komt. Wat dat met haar doet is moeilijk af te lezen op haar kleine gezicht; ze lacht immers zoveel. En woorden heeft ze er nog niet voor.

Het is afstemmen met pleegouders. Kan ze nog op bezoek komen? Wanneer is het genoeg voor hen, voor haar?

Het is voorzichtig aftasten bij halfzussen aan de andere kant van het land die niet goed weten wat te betekenen voor een kleine zus in een instelling. Ze zijn zelf zo jong en gekwetst.

Het is jaarlijks haar evolutie beschrijven aan een jeugdrechter die geïnteresseerd naar dat kleine meisje naast mij kijkt en naar een mama die zichzelf als grootste slachtoffer beschouwt en niet durft kijken naar haar aandeel in de plaatsing van haar dochter.

 

Ze leeft door ons, haar zorgfiguren. Ze teert op onze energie, onze gemoedstoestand, onze persoonlijkheid. Ze kopieert, ze leert, ze bluft. Er is een onzichtbare draad tussen haar en ons en af toe laten we die vieren. Ze triomfeert, ze kan alleen. En dan valt ze. Opnieuw en opnieuw.

 

Maar opgroeien doet ze. En wel met één belangrijke les: ze mag er zijn. Met haar beperking, met haar boosheid, met haar verdriet. Ze leert, tergend langzaam, dat ze mag vertrouwen. In mij, in ons en in zichzelf.

 

Als ze de kans krijgt om naar een school buitenaf te gaan, grijpt ze die. We hebben haar genoeg omringd, betutteld en gesust. Ze wil naar buiten!

Ook van de leefgroep heeft ze genoeg. De drukte, de regels, de met acht anderen aan een tafel, de niet aflatende schreeuw om aandacht. Want het is nooit genoeg. Als je ooit te weinig hebt gehad, is het nooit genoeg.

 

Ze verhuist naar een kleine studio op ons terrein dat ze schildert in felle kleuren. We helpen haar met haar meubeltjes, haar potten en pannen, haar tuintje. Ze adopteert een kleine streepjespoes want ze wil iets van en voor zichzelf. Ze noemt haar naar een opvoedster die jaar en dag voor haar gezorgd heeft.

Als ze bang is of de wereld weer heel onbetrouwbaar slaapt ze in de leefgroep. Maken we de draad tussen haar en ons weer korter. Schrijft ze brieven naar ons en praten wij met haar. Tot ze weer sterk genoeg is om naar haar studiootje en haar poes te gaan.

Als ze 20 is wordt haar mama zo goed als levenloos teruggevonden in haar appartement. En zij gaat naar het ziekenhuis, keer op keer. Zij huilt om haar mama die veel te weinig mama is geweest. In vergeten dozen uit het appartement zoekt zij naar foto’s van zichzelf, naar iets dat bewijst dat ze dochter is.

 

We gaan samen naar het woonzorgcentrum waar haar moeder wordt opgenomen, leren wat dementie is, duiken mee in het verleden en luisteren naar wat haar leven zo moeilijk maakte. Er is zachtheid en mildheid in de stem van haar mama en zij hoort het.

 

Ze wordt verliefd. Ze doet stages, legt toetsen af. Na twee jaar behaalt ze haar getuigschrift, staat ze vol zelfvertrouwen op hoge hakken en in een minikleedje op de speelplaats van haar school alsof ze nooit iets anders gedaan heeft. Ik ben erbij en kijk ademloos naar haar.

Ze besluit er nog een extra jaar bij te doen want ze vindt van zichzelf dat ze nog meer kan bijleren.

En graag wil ze ook nog even bij ons blijven als dat mag, en in haar studio.

 

In dat laatste schooljaar wordt ze ziek, ernstig ziek, en wordt ze opgenomen in het ziekenhuis.

En ik kan niet anders dan voor en na mijn werkuren aan haar bed te gaan zitten. Ze knijpt haar pijn in mijn hand en samen met haar verbijt ik die.

In juni sta ik opnieuw op de receptie, met haar broer, en samen zijn wij oneindig fier op haar.

 

We bezichtigen een aantal appartementjes en ik heb een vreemd gevoel. Het lege nest. Mijn meisje gaat bijna weg en het is goed zo. Ze is er klaar voor. Ik slik wat weg en ze lacht me uit.

En dan gaat het snel. Nog één keer op kamp met ons. Nog één keer met de tent mee. Nog één keer zorgeloos genieten om dan haar volwassen leven in te duiken.

 

Begin augustus weet ze zeker dat ze kan verhuizen. In drie weken tijd stoppen we zestien jaar instellingsleven in bananendozen en kiezen we mooie en nieuwe spullen voor de grootste stap in haar leven.

 

De dag breekt aan dat ze vertrekt. Haar broer, vriendje, liefste opvoedster en ikzelf steken onze twee busjes vol met haar meubels en weg zijn we. Richting stad. Weg natuur, ruimte, koeien, veiligheid en zorg. Ze kan nu zelf. Ze vertrouwt.

En dan nemen we afscheid. Ze breekt en huilt. Ik neem haar op mijn schoot en krachtig houdt ze me vast. Ze is zo licht als een veertje.

Wandelcoaching-WerkmetZin-KoenBroos